De laatste tijd is er veel aandacht voor pesten en dan met name voor wat wel cyberbullying wordt genoemd.
De zorgen zijn recent aangewakkerd door de hype rond bangalijsten.
Daarnaast draait in de VS de spraakmakende documentaire Bully, waarin vijf gepeste kinderen gevolgd worden.
Iedereen lijkt het erover eens dat pesten slecht is en dat online pesten nog slechter is.
Het internet gaat immers nooit uit en anonimiteit werkt een hardere opstelling in de hand.
In deze discussies wordt er vanuit een volwassen perspectief naar pesten gekeken, terwijl we weinig horen van kinderen en jongeren zelf.

Eén van de claims van Bully is dat het probleem genegeerd wordt. Dat is niet waar.
In geen andere tijd was er zo veel aandacht voor pesten. Sterker nog, er is een complete industrie rond pesten ontstaan.
Anti-pesten-experts verkopen spreekbeurten, organisaties verhandelen lespakketten en de entertainmentindustrie verdient goed geld met zieligheidsverhalen.

De algemene boodschap die verkocht wordt, is simpel: pesten is slecht en kan voorkomen worden. “All it takes is for one child to stand up” is het motto van de trailer van Bully. Deze boodschap lijkt prachtig, maar is betekenisloos.
Uit mijn onderzoek blijkt dat zelfs de grootste pestkop van de klas het anti-pesten-vertoog uitstekend kan reproduceren.
Een vergelijking met racisme is daarmee op de plaats. Net als bij rassenhaat is het bijkans onmogelijk mensen te vinden die pesten prima achten. Uit onderzoek weten we dat huidige antiracismecampagnes daarom hun doel missen.

Weg van de slachtofferrol
Pesten is een vast onderdeel van het alledaagse leven van kinderen en jongeren.
Dat betekent dat zij – in het algemeen – manieren vinden om ermee te dealen.
Amerikaanse tieners spreken liever van ‘drama’ dan van pesten.
Zij doen dat om een onderscheid te maken tussen hun praktijken en die van volwassenen, en om een slachtofferrol te vermijden.

Door te spreken over drama vervaagt de grens tussen pesten en plagen, oftewel tussen wat grappig en wat kwetsend is.
Door iets drama te noemen, doen tieners de emotionele impact van de handeling af als onbeduidend.
Hierdoor kan een doelwit ‘zijn gezicht’ redden in plaats van in een slachtofferrol geduwd worden.

Drama veronderstelt een publiek. Tieners zijn zich als geen ander bewust van het feit dat ze voortdurend beoordeeld worden.
Het (semi)publieke karakter van bijvoorbeeld Facebook vergroot hun zichtbaarheid. Drama is een vorm van vermaak voor jongeren en het drama wordt als het ware ‘opgevoerd’ voor een publiek, of dat nou het publiek van het schoolplein of van een sociaal netwerk is.

Geen volwassen kaders
De auteurs concluderen dat we om de wereld van jongeren te begrijpen de kaders moeten gebruiken die zij zelf gebruiken.
De implicaties hiervan zijn dat we veel meer onder de oppervlakte moeten kijken.
Hoe onderhandelt de grootste pestkop pestgedrag zodat het acceptabel wordt?
Waarom wil een gepeste tiener zichzelf niet slachtoffer noemen?
Hoe kijken omstanders naar drama en hoe zien zij hun eigen rol?
We weten dat 17 procent van de Nederlandse tieners online gepest wordt, maar we weten ook dat tieners het internet vooral als een leuke plek zien. Nu moeten we die twee zaken met elkaar in verband brengen.

Veel tieners herkennen zich niet in de pest-retoriek die ouders en deskundigen gebruiken.
Hierdoor kunnen ze de antipestboodschap makkelijk van zich af laten glijden: ‘dat gaat niet over mij’.
Het opleggen van ‘volwassen’ tegenstellingen als slachtoffer versus dader is dus uiteindelijk onproductief in de strijd tegen pesten.

Bron:  wetenschap.dejaap.nl